Mijn oma-van-vaderskant zaliger had vroeger altijd hetzelfde grapje. Of eigenlijk was het een raadseltje, waar vooral zijzelf plezier aan beleefde.
Dat ging dan ongeveer zo:

“Het is geel en het heeft twee pootjes..?”
-“Weet ik niet, oma.”
“Een kuikentje!”

Zich zichtbaar verkneukelend sprak ze direct daarna:
“Nog een keer. Het is geel het heeft twee pootjes?”
-“Ehm, een kuikentje?”
“Mis! Haha! Twee glaasjes advocaat!”

Als kind had ik natuurlijk geen flauw idee wat dat was, twee glaasjes advocaat, maar haar gezicht sprak boekdelen.
Ze moet lachen,  dit is dus een leuke grap, dus dat zal dan wel goed zijn, dacht mijn jonge kinderbrein.

“Nog een keertje!” zei ze, overlopend van voorpret.
“Het is geel en het heeft twee pootjes?”
-“Twee glaasjes af… affo… affokaa?”
“Nee! Hahaha! Een kuikentje! Het is geel en het heeft drie pootjes?”
-“Drie glaasjes affokaa?”
“Mis! Een kuikentje en een glaasje advocaat! Het is geel en het heeft vier pootjes?!”
-“Ik weet het niet, oma. Twee kuikentjes?”
“Nee! Vier glaasjes advocaat! Hahaha!”

En zo ging dat dan door, tot in den eeuwigheid, amen.  Zelfs op die jonge leeftijd had ik al heel snel in de gaten dat het een verloren zaak was. Natuurlijk deed ik mee aan het voor haar hilarische tafereel  en dan gaf ik er na een tijdje de brui aan om weer met de houten olifanten te gaan spelen. Aan eyerolls deden we nog niet in de jaren ’80 en al helemaal niet naar oma’s, en dus accepteerde ik gelaten de harde realiteit: dit kon ik nooit winnen.

Hetzelfde gevoel bekruipt me de laatste tijd steeds vaker, omdat mijn kleuter het ijs voor mijn voeten eigenhandig al gladder en gladder polijst.

“Mamaaah?” klinkt er regelmatig, en meestal op een moment dat ik, laten we zeggen, bloemkool sta schoon te maken terwijl ik tevergeefs James van de knopjes van de vaatwasser of het gas probeer weg te houden en ondertussen Dr. Phil kijk, en dus niet bepaald op mijn hoede ben.
-“Jaaah?” is doorgaans mijn respons.
Ze duwt me een vel papier onder mijn neus.
“Kijk eens wat ik heb getekend? Zie je wat ik heb gemaakt?”

Kut. Ehm…. Het zou een bloem kunnen zijn. Of een vlinder. Maar net zo goed een rups in een prinsessenjurk. Haar juf van school. Of Elsa-van-Frozen.

Koortsachtig probeer ik de vormen en kleuren te duiden en te vertalen naar haar referentiekader (nee, wacht, geen Elsa, Frozen is uit, Totally Spies is in, toch? Of niet..?) terwijl ze hier luchtig de verraderlijke woorden: “Ik heb hier ook letters gemaakt. Wat staat er?” aan toevoegt.

De random hanenpoten zeggen me ongeveer net zoveel als de abracadabra tijdens de wiskundeles van vroeger. Ze kijkt me ongeduldig en verwachtingsvol aan. Ik begin te zweten.
Ik wil haar tekenwerk én natuurlijk haar eerste pogingen tot schrijven absoluut niet dissen (oké, de Rietveld wordt het niet, maar wellicht stapt ze in mijn schrijvers-voetstappen, hartstikke leuk, schrijvers zijn leuk, stimuleren, motiveren, kom op, je kan het) maar de waarheid is: ik. weet. het. gewoon. niet.

Na een lange dag op school is ze moe. En ook wel eens, op z’n zachtst gezegd, een tikje geagiteerd. Toenemend ongeduld slaat in steeds groter wordende golven van haar af. Zo, hup, direct mijn aura in.
Ik probeer haar gezicht te peilen, speur om me heen naar aanwijzingen die ik niet vind. De tijd staat even stil. De spanning is om te snijden. Haar grote ogen kijken naar me op.

Die ogen zeggen, stilletjes verwijtend: hoezo moet je hier zo lang over nadenken? Je ziet toch dat het een veld bloemen is met een zee erachter en een wolk in het midden en een vliegende fiets met een fee erop en dat ik erboven ‘ik ben verliefd op Justin Bieber’  heb geschreven? Duh!

En ik wil het zo graag. Ik wil het raden. Ik wil het zien. Ik wil het zeggen,  dat: ‘natúúrlijk is dat een brommer met paarse glitters en een sterretjesboom en daar staat papa met James naast de iglo van oma en opa, duh!’ en dat zij dan tevreden is omdat ze zich zo begrepen voelt.
Alleen ja. Ik zie het niet.

Dan zucht ze een metersdiepe zucht, zo eentje uit haar wanhoops-repertoire.
“Ooowww. Mamaaaah. Het is een racewagen-olifant. Dat zíe je toch?”
Lafjes mompel ik: “Ach ja, een rácewagen-olifant, ja nee nú zie ik het inderdaad, mooi schatje, sú-per-mooi.” Ze knikt. Lijkt tevreden.
Dan word ik overmoedig en overspeel mijn hand. “En daar staat ook je naam, zie ik!”
-“Neeheeeee. Ooowww (denk; eyeroll). Daar staat ‘voor oma’ en dat ze hem vanavond pas mag openmaken want ik ga hem zo dubbelvouwen en dan maak ik er een boekje van.”

*faal*

Intussen is Dr. Phil toe aan zijn slotpleidooi, staat James breed grijzend en in alle vrijheid ritmisch de vaatwasser aan- en uit te zetten en keert Teddy zich weer tot haar geliefde Justin Bieber op de iPad.
Onwillekeurig denk ik terug aan de kuikentjes en de glaasjes advocaat van oma. Net zoals toen kan ik het opnieuw niet winnen.

Ik heb zin om te gaan spelen. Zorgeloos. Zonder glad ijs. Ik wou dat ik wist waar de houten olifanten waren gebleven.

Charlotte

Mijn naam is Charlotte en ik ben 36 jaar oud. Ik ben de trotse moeder van dochter Teddy (5 jr.) en zoon James (bijna 2) en breek zo nu en dan bijna mijn nek over kater Titus.
Koken vind ik een uitdaging. Oh, en ik schrijf. Vaak.

Latest posts by Charlotte (see all)