Ken je dat nummer van de Talking Heads, Once in a lifetime? Let vooral ff op de laatste twee regels:

And you may find yourself
Living in a shotgun shack
And you may find yourself
In another part of the world
And you may find yourself
Behind the wheel of a large automobile
And you may find yourself in a beautiful house
With a beautiful wife
And you may ask yourself, well
How did I get here?

Zo vond ik mezelf heel kortgeleden dus terug in het plaatselijke parkje, totaal oververhit, gutsend zweet op plekken waar de zon niet schijnt en met in mijn ene hand een tegenstribbelende dreumes en in mijn andere een oldskool fietspomp.
Een wat?
Een fietspomp.

And you may find yourself, in a beautiful park,
With a beautiful child, and a beautiful fietspomp
And you may ask yourself, how did I get here?

Ik keek zo eens naar mezelf, vanaf een afstandje. Ik keek naar mijn knokkels, wit weggetrokken, omdat mijn vingers de fietspomp omklemden alsof het een reddingsboei was. Ik keek naar mijn dreumes, die me geagiteerd gebood zijn kleffe handje los te laten, en wel nu.
En daar, op dat moment, vroeg ik mezelf daadwerkelijk af:  how did I get here?

Ik heb er nooit een geheim van gemaakt, vroeger, dat ik nooit maar dan ook nooit maar dan dus ook écht nooit in een nieuwbouwwijk wilde wonen, tussen de gezinnetjes. Ik was wars van het burgerlijke, kreeg uitslag van alleen al de gedachte aan plekken als MonkeyTown en gierende eczeem van woorden als ‘camping’ en ‘animatieteam’.

En toch woon ik (overigens met veel plezier)  in een nieuwbouwwijk tussen de gezinnen en ga ik zo nu en dan naar MonkeyTown en zijn mijn kinderen afgelopen zomer enorm vermaakt door die lieve meiden van het animatieteam, gewoon omdat het leven nu eenmaal zo werkt. Hoe harder je ‘nooit!’ roept, hoe meer ‘nooits’ je op je pad krijgt.

Na een zomer vol eerste keren, zoals beschreven in mijn vorige blog, is nu het normale leven weer aangebroken. Een contradictio in terminis natuurlijk, want een leven is nooit ‘normaal’.
Ik bedoel: is jouw leven normaal? En hoeveel mensen ken je met een leven dat normaal is?
I rest my case.

Leven is niet ontworpen op ‘normaal’. Het is grillig. Het heeft hobbels en kuilen en wervelstormen en gapende gaten en horrorscenario’s  en dartelende konijntjes in de zonneschijn en zilte bries en zure appelen.
Het heeft rafelige zwarte randen en soms loert het naar je vanuit het duister, gemeen grijnzend en in een onverzadigbaar verlangen malend met zijn kaken, vals naar je klauwend en riekend naar ongepoetste tanden.
En soms is het licht als een veertje en dan groeien de rozen op je schoenen, zit alles zo erg mee dat je ineens weer op kan staan en waan je je een kind in een neverending ballenbad.

Maar ik dwaal af.

Mijn fietsband was dus lek, zo bleek. En dat was behoorlijk irritant, gezien het feit dat ik tijdelijk niet over een auto beschik en mijn fiets dus even mijn enige vervoermiddel is.

Dat is op zich niet heel erg.
Ik werk vanuit huis, neem het aanbod van mensen om mijn kant op te komen schaamteloos aan en verreweg de meeste significante plekken (school, supermarkt, mijn ouders) zijn op loopafstand.
Plus, het relativeert wel lekker. Van fietsen krijg je mooie kuiten, krijg je een bakkie extra beweging (niet dat ik niet aan beweging kom, met zo’n Sjaak Stormram als dreumes, maar dat terzijde) en de wind rolt zo lekker door je haar. En wat zal ik straks mijn autootje weer waarderen!
Fietsen. Heerlijk. Ja, zolang het niet regent natuurlijk.
Dus ik doe elke dag een zonnedansje, en kijk aan, hatseflats, een hittegolf in september.

Anyway, nu zo zonder fiets werd het toch wel een tikje armoedig. Midden in de bloedhitte deed ik een poging mijn voorband te reanimeren met als patroon oppompen-sssssssssss horen- in de ontkenningsfase – oppompen – sssssssssssssss horen – in de ontkenningsfase, toen ineens tijdens het oppompen mijn zoon ‘m ouderwets smeerde.

Tijdens het hollen, nog verrassend snel met die korte pootjes van ‘m, keek ‘ie achterom, zag mij ‘neeeeeeeeeeeeeeeee’ doen, grijnsde breed en zette nog een tandje bij.
Zijn plan was helder: stoep af, straat over, park in.

Nog net voor stap 1 wist ik hem professioneel doch zonder enige gratie te onderscheppen (maar wat is gratie waard als je kind stuk is, nietwaar) waarna ik totaal ruggengraatloos en mijn fiets in verwarring achterlatend toegaf en meeging, het park in.

En toen ineens had ik dus even zo’n momentje van afstand. Helikopterview.
Zo’n “ach kijk, wat leuk, die moeder gaat lekker spelen in het park met haar kind en haar… fietspomp”-moment.
Also known as: “ach kijk, wat leuk, de dorpsgek.”

Toch heb ik die momentjes de laatste tijd vrij vaak, heb ik gemerkt. Die totale verwondering. Dat allesoverheersende ‘huh?’, ook wel bekend als de ‘HOE DAN?!’

Dat ik ineens dingen leuk of fijn vind, die ik vroeger in een horrorfilm vond thuishoren. Dat ik dingen zeg waarvan ik nooit had gedacht dat ik ze zou zeggen. Zoals: “Nee lieverd, niet op je broertje tekenen” of “Ja leuk, zo’n indoor-speeltuin! Ik ga mee!”

Dat ik dingen doe waarvan ik nooit had gedacht dat ik ze zou kunnen. Dat ik sta te strijken bijvoorbeeld, en dat ik dat nog best oké vind ook. Dat ik er soms zelfs een dansje bij doe. Of mezelf verlies in een televisieprogramma, waarvoor ik dan wel weer word bestraft doordat ik over mijn duim strijk, maar hey. Alle begin is moeilijk.

En dat is dus precies wat het is. Dat je dan 36 bent, en in sommige opzichten pas net bent begonnen. De verwondering. Achter het gasfornuis staan, of achter de strijkplank, en mezelf afvragen How did I get here?

En die verwondering dan vervolgens heel erg hard koesteren.

Charlotte

Mijn naam is Charlotte en ik ben 37 jaar oud. Ik ben de trotse moeder van dochter Teddy (6 jr.) en zoon James (bijna 3) en breek zo nu en dan bijna mijn nek over kater Titus.
Koken vind ik een uitdaging. Oh, en ik schrijf. Vaak.

Latest posts by Charlotte (see all)