Ik raak vaak overmoederd.

Zo raak ik overmoederd als ik haar uit school haal en een tijdje door het raam naar haar sta  te kijken terwijl ze nog niet in de gaten heeft dat ik er ben. En als ze de daaropvolgende uren volbabbelt met high-impact gebeurtenissen (‘en toen sprong ik dus van dat muurtje af, want dat durfde ik!’)  en wat ze allemaal heeft geleerd (‘ik heb dus vandaag Jezus in de kerststal geplakt!’).

Ik raak ook overmoederd als ik op een dag een triljoen keer ‘mamaaah!’ heb gehoord en als ik niet eens even een keer zelf heb kunnen plassen. Omdat het woord ‘ongestoord’ niet meer bestaat.

Ik raak overmoederd wanneer hij, vanaf het moment dat ik hem uit bed haal, alleen maar bezig is om de knopjes van de vaatwasser in te drukken of het gas aan-en weer uit te draaien, en weer aan en weer uit, terwijl hij zijn speelgoed links laat liggen. Hij onze keuken in een discotheek verandert omdat hij de lichtknopjes niet kan weerstaan en ik zelf met mijn constante “Niet doen!” de beat verzorg.

Ik raak overmoederd wanneer ik nét die ene keer ben vergeten om het traphekje dicht te doen, terwijl hij nét dat ene moment de activiteit klimmen toevoegt aan zijn toolkit-des-levens, en dus naar beneden lazert, helemaal vanaf de derde tree en ik, overmand door schuldgevoel, zijn verhitte gesnik smoor tegen mijn schouder terwijl zijn snot in mijn nek druipt.
Of wanneer hij met zijn wankele pinguïn-tred  voorover valt, precies met zijn voorhoofd op de massief houten poten van de kinderstoel. Of wanneer hij het voor elkaar krijgt een half tabletje geperste aarde uit een AH-moestuintje op te kanen, ik met mijn wijsvinger het zand uit zijn opeengeperste mondje probeer te harken terwijl ik me wanhopig afvraag hoezeer dat spul op zal zwellen als het in aanraking komt met zijn dreumes-speeksel. En dat terwijl ik hem toch echt als een havik in het oog hield, verdomme.

Overmoederd raak ik wanneer we met z’n drietjes de boel de boel laten, iets wat ik nog niet eens zo lang geleden nog niet kon, om over de keukenvloer te kruipen en gierend van het lachen over elkaar heen te buitelen.

Ik voel me overmoederd wanneer het gevoel me overvalt dat ik het allemaal alleen moet doen, terwijl ik het eigenlijk helemaal niet alleen hoef te doen, maar ik mezelf daar wel van heb overtuigd.
Terwijl de verantwoordelijkheid in tonnen op mijn schouders drukt, omdat hun papa nu ergens anders woont, ik eigenhandig mijn financiën probeer rond te krijgen en ik me afvraag hoe ik ze veilig groot krijg en ze alles kan geven wat ze nodig hebben.
Wanneer ik zo overmand word door zorgen en angsten dat ik, negatief geladen, de borden veel te hard in de vaatwasser flikker, zodat ik daarna ‘sorry’ zeg tegen die grote, volgelopen ogen in haar stille smoeltje en haar uitleg dat ‘mama soms ook gewoon een beetje moe is’ en dat dat niet door haar komt.

Ik raak overmoederd wanneer ik haar ’s avonds laat uit bed haal om haar, in haar halfslaap, nog even een plasje te laten doen om ongelukjes te voorkomen. Wanneer ze dan al dromend met half weggedraaide ogen onsamenhangend tegen me aan kletst over My Little Pony’s met glitterstaarten.

Ik raak overmoederd als ik ’s avonds oververmoeid en met een volgepiekerd hoofd eindelijk in slaap val, om na een paar uurtjes te worden wakker geroepen met de woorden: “Mama! Ik heb in bed geplast!”
Ik raak dan wel eens zó overmoederd dat ik eerst mijn ‘godverdomme’ moet inslikken om haar te kunnen troosten en oprecht te kunnen zeggen dat het echt echt écht niet erg is, zo’n ongelukje, om haar daarna liefdevol in een schone pyjama te hijsen.

Vaak raak ik overmoederd als ik moet koken, want dat kan ik helemaal niet. Als ik voor de zoveelste keer de zwarte randjes van een voorgegaarde kipschnitzel sta te bikken en haar voor de zoveelste keer die week een menu voorschotel van volkoren elleboogjes-pasta en wortel. Als alles wat ik wil is even, eventjes, een paar minuutjes maar, zitten, gewoon, op een stoel, verder vraag ik niks, echt, dat is voldoende, maar dat kan niet want hij klautert alweer op de kinderstoel of hij staat rechtop in zijn blokkenwagen en ik zie alleen maar potentiële schedelbasis-fractuurtjes voor mijn geestesoog opdoemen terwijl ik voor de duizendste keer die dag als door een wesp gestoken opspring.

Ook raak ik overmoederd wanneer ik weer een hele lading ontgroeide kinderkleertjes uit de kasten ruim, wetend dat ze dit jurkje nooit meer zal dragen, en hij dat pakje niet, en dat die tijd van klein, kleiner kleinst nooit meer terugkomt. Als ze me een eye-roll geeft die me een flashforward naar de puberteit oplevert, of als ze lichtelijk geagiteerd zegt ‘Jahaaa, dat snap ik alláng.’

Overmoederd ben ik wanneer ik toeleef naar hun bedtijd, ein-de-lijk rust, om vervolgens in mijn eentje hun reuring en gezelligheid te missen. Als ik zachtjes hun kamertjes betreed en zie hoe ze liggen te slapen, mondjes open, handjes om de knuffels geklemd. Hoe ik ze dan wil kussen en tegelijkertijd als de dood ben om ze wakker te maken, omdat dan het circus weer begint. Hoe ik tussen mijn tanden ‘shit shit shit’ prevelend op mijn tenen maak dat ik wegkom zodra eentje zich verroert.
Als ik ’s ochtends veel te vroeg word ontvangen door twee mensjes die zó blij zijn om me te zien dat de tranen in mijn ogen springen en er direct energie door mijn aderen giert.

Nooit eerder raakte ik zo overmoederd als wanneer hij zijn armpjes om me heen slaat en me met open mondje een kletsnatte kus geeft. Net zoals ik overmoederd raak wanneer hij een half verteerde soepstengel of banaan uitsmeert over mijn enige schone spijkerbroek, terwijl ik die middag in diezelfde broek een zakelijke afspraak heb af te handelen.
Of wanneer zij, al bijna vijf jaar en al zo groot, op mijn schoot kruipt en nog steeds naadloos in me blijkt te passen.
Wanneer ze het ‘zelluf’ kan en verstrikt raakt in haar trui, zodat er een worsteling ontstaat die alleen bestaat uit armen en mouwen en piekende blonde haartjes en gefrustreerd gegrom, en uiteindelijk toch haar rood aangelopen hoofd tevoorschijn komt met een glunderende ‘ik zei toch dat ik het zelluf kon?!’ grijns.

Overmoederd raak ik wanneer mijn rug kapot is en ik hem toch honderdduizend keer overal op- en af moet tillen, met zijn vijftien kilo. Wanneer ze me wakker houden of juist me een hele nacht door laten slapen.
Ik raak tot het bot overmoederd wanneer ze dingen zegt als ‘ik hou van jou’ of ‘ik vind jou zó lief, helemaal tot in de televisie.’
Wanneer ze haar handje op de mijne legt, haar hoofd een tikje schuin houdt en me op ongekend volwassen toon toevertrouwt: “Papa kan lekker koken, maar jij ook hoor.”

Soms raak ik wel eens moe van het overmoederd zijn, om me meteen diezelfde seconde te realiseren; ik zou niet anders willen.

Charlotte

Mijn naam is Charlotte en ik ben 37 jaar oud. Ik ben de trotse moeder van dochter Teddy (6 jr.) en zoon James (bijna 3) en breek zo nu en dan bijna mijn nek over kater Titus.
Koken vind ik een uitdaging. Oh, en ik schrijf. Vaak.

Latest posts by Charlotte (see all)