Eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik me altijd een beetje (oké, best wel erg) heb verkneukeld om ouders die met een gepijnigd gezicht zeiden dat ze weer naar het zwembad moesten voor de zwemles van hun spruit.


Dat duurt voor mij nog zoooooo lang! dacht ik dan elke keer, en ik wuifde het idee lachend weg, voor me uit, op de lange laaaange termijn.
Maar ja.
Voor je het weet heb je weer drie keer een kerstboom op- en afgetuigd, zit je kind op school en moet je verantwoorde spiesjes verzorgen voor het kerstdiner of sta je zomaar met je goeie gedrag komkommerkrokodillen uit te hollen omdat de traktaties tegenwoordig gezond moeten zijn (ik niet hoor. Ik prak gewoon popcorn in een vrolijk gekleurd bekertje. Da’s ook soort van gezond. En wel zo makkelijk).
Karma haalde me met een noodgang in.
Ik was de sjaak.
We moesten naar zwemles.

Nu heb ik mijn zwemdiploma alweer een tijdje, daar niet van, maar ik was me er terdege van bewust dat ik de impact van het wekelijkse sparteluurtje op mijn eigen gevoel van welbevinden vooral niet moest onderschatten. Chloorlucht, kleffe warmte, stromend zweet. Een vochtig kind weer in een stroperige maillot hijsen, nee, dat gaat niet, je joggingbroek dan maar, fuck, sokken vergeten.

“Auw mama, je trekt aan mijn haar!”
-“Sorry schat, even kammen.”
“Auw mama, je staat op mijn teen!”
-“Sorry lief, mama is een beetje onhandig.”
“Een béétje?”
-“Oké oké, héél onhandig. Bijdehandje.”
“Je bent zélf een…”
-“Ssst. Genoeg. Nu is het klaar. Hup. Sjezus wat is het hier warm. Godsamme zeg.”
“Dat mag je niet zeggen.”
-“Wat niet?”
“Dingen met God.”
-“O ja, Christelijke school hè? Nou, mama mag alles zeggen. Vooral als mama gutsend zweet heeft.”
“Wat is gutsend?”
-“Dat het van mama’s rug af… laat maar.”

Al snel bleek echter dat het fysieke aspect van de zwemles veel minder intensief was dan het mentale.
Teddy is nog jong, ruim vier jaar. Toen ik de folder van de zwemvereniging las en tot mijn vreugde vaststelde dat ze al vanaf vier jaar terecht kon, was ik blij. We leven in een waterrijk landje en kunnen zwemmen vind ik belangrijk.
Dus hup. Gaan met die banaan, gas op die lolly.

Drie weken na de inschrijving ging ik, samen met een dolenthousiaste kleuter die overduidelijk een iets te rooskleurig beeld had van het begrip ‘zwemles’, op weg.
Ze lijkt op mij, het arme kind. Ze is namelijk behept met een perfectionisme waar je U tegen zegt, met daarnaast een zwikkie allesondermijnende neigingen tot faalangst. Een fatale combinatie, levensvreugde-technisch gezien.

Het zwembad is maar klein en daarom gelden er duidelijke afspraken. Bij een eerste les mag de ouder er sowieso bij blijven. De laatste les van de maand mogen alle ouders aanwezig zijn. Voor de overige lessen moet worden gerouleerd.
Het was haar eerste keer en daarom nam ik plaats op een plastic kuipstoeltje om te kijken naar mijn kind. Gaandeweg de les zag ik haar gezicht meer en meer betrekken.

Was dít zwemles? Dat je in het water moet springen terwijl je dat helemaal niet durft? Dat er een juf is die zegt dat je nu naar de overkant moet zwemmen terwijl je je handjes naast je gezicht moet houden? Of dat je op je rug moet liggen terwijl er water over je gezicht en in je mond klotst?
Halverwege de les kwam ze met rode oogjes op me af en zei stellig: “Zo mama, ik ben d’r klaar mee.”
Waarop ik haar natte lijfje direct terug moest dirigeren naar de juf. En doorrrr. Ik hoor nóg haar voetjes met slepende tred op de tegels kletsen.

Het aanvankelijke enthousiasme maakte al snel plaats voor onvervalste zwemles-stress, compleet met zorgenbuikpijn en snot en tranen. Het punt is namelijk; zij vertelt zichzelf dat ze het niet kan. Dat het vast allemaal heel moeilijk wordt. Dat het haar niet zal lukken.
Niet alleen met zwemles hoor, o nee. Da’s ook als ze achterop de grote fiets moet klimmen of op een glijbaan die ze nog niet kent of als ze op school Jozef en Maria moet uitknippen en in de kerststal moet plakken.

Afgelopen zomer kreeg ze een grote-meisjes-fiets voor haar verjaardag. Met paars en roze en bloemen en van die sliertjes aan de handvatten, precies zoals ze had besteld. En zijwieltjes natuurlijk, want zekerheid voor alles.

Na een paar keer oefenen en vallen en weer opstaan fietste ze als een wieler-prinses de stoep op en neer. Stapte af en weer op, sjeeste voorbij en draaide en stuurde en ontweek op een haar na plantenbakken, dieren en voorbijsukkelende bejaarden.
Toen was de zomer klaar, begon de school, werd het buiten slecht weer. De fiets bleef een tijdje op zijn plek onder de trap geparkeerd staan.
Ik waagde op een middag te zeggen: “Kom Teddy, dan gaan we lekker fietsen!” Ik negeerde haar zorgenfrons en sleepte de fiets naar buiten.
Toen zei ze: “Dat kan ik niet.”
“Hoe bedoel je, dat kan ik niet?” vroeg ik. “Je hebt het de hele zomer gedaan! Je kan het wél! Kom op, hup!”

Het liedje eindigde met een woest gillend kind dat zich op elke mogelijke manier afzette tegen mijn pogingen haar op die fiets te krijgen. Doorzetten, dacht ik alleen maar. Als ik nu toegeef, dan vindt ze het de volgende keer alleen nog maar moeilijker.
Gespannen als een snaar zat ze uiteindelijk op het zadel, om vervolgens zonder moeite een heel blokje te fietsen.
“Zie je wel?” zei ik hijgend. “Je kan het wél. Je vertelt jezelf alleen dat het heel moeilijk is. Dat ís niet zo. Het zit allemaal in je hoofd.”

Ze doet iets, ongeacht wat, en ondertussen vraagt ze zich af of ze het eigenlijk wel kan.

En daar had ik mijn dagelijkse spiegel weer.
Ik heb ooit eens een leuke baan bijna afgewezen. Zogenaamd vanwege de eikelige manager, maar eigenlijk stiekem uit faalangst. Jarenlang bleven mijn schrijfsels veilig op mijn computer staan, want wie zat daar nu op te wachten?

Ik doe iets, ongeacht wat, en ondertussen vraag ik me af of ik het eigenlijk wel kan.

Afgelopen keer was het mijn beurt om te blijven kijken bij de zwemles. De juf legt iets uit, en met elke zin die uit haar mond komt zie ik mijn dochters gezicht meer en meer vertrekken.
Tegen de tijd dat de juf is uitgesproken huilt mijn dochter hartstochtelijk, haar tenen over het randje van het bad gevouwen. Mijn hart krimpt ervan. Mijn vingers knijpen verkrampt in de leuningen van de stoel. Ik wil haar optillen en meenemen. Ver weg van hier, naar een plek waar altijd alles goed en makkelijk en fijn is. Een plek die niet bestaat.

Mijn hoofd draait overuren.
Is het te vroeg voor zwemles? Is ze mentaal nog niet rijp? Moet ik haar eraf halen? Of geef ik dan juist toe aan haar irreële angst? Moet ik nu juist doorzetten? Kweek ik karakter of juist een trauma? Doe ik het wel goed?
Dat hele opvoeden… soms vraag ik me af of ik dat eigenlijk wel kan.

Tegen het einde van de zwemles krijgt ze weer praatjes. Ze weet, ze mag nog even spelen in het water en dan gaan we weer naar huis. En tegen de tijd dat we in de auto zijn gestapt heb ik drieëntwintig kilo aan vochtige vrolijkheid op de achterbank zitten.
“Zo mama, dat was leuk hè?”
-“Ja? Vond je het leuk?”
“Heel leuk!”
Die kleine Pinokkio.
-“Je neus groeit!”
“Wat?!” Ze voelt aan haar gezicht.
-“Laat maar. Ik ben trots op je.”

Thuisgekomen springt ze dartel uit de auto. Ik hoef haar niet te helpen, want ze kan het ‘zelluf’.
Ik kijk naar haar, hoe groot ze al is. Hoe slim, leuk, mooi en grappig. Ik zie dat ze de potentie heeft om alles te doen wat ze maar wil in dit leven. En o, wat zou ik haar graag doordringen van dit feit.
Want wat maakt ze het zichzelf moeilijk. Wat zit ze in haar hoofd. Wat heeft ze nog veel te leren.
En wat lijkt ze op haar moeder.

 

 

 

 

 

 

Charlotte

Mijn naam is Charlotte en ik ben 37 jaar oud. Ik ben de trotse moeder van dochter Teddy (6 jr.) en zoon James (bijna 3) en breek zo nu en dan bijna mijn nek over kater Titus.
Koken vind ik een uitdaging. Oh, en ik schrijf. Vaak.

Latest posts by Charlotte (see all)