Vooraf: spanning, rust en het gevoel dat het tijd was
Op 23 maart had ik mijn ESG. Ik was gespannen, maar niet op een paniekerige manier. Meer dat gevoel dat je krijgt als je weet dat er iets groots gaat gebeuren en je er klaar voor bent. Mijn bloeddruk was goed, mijn hartslag rustig, en ik voelde vooral: het is tijd. De arts vroeg nog of ik vragen had, maar ik wilde gewoon dat het zou beginnen. Daarna sliep ik, en vanaf dat moment veranderde alles sneller dan ik kon bijhouden.
Het wakker worden: een klap die ik niet zag aankomen
Het moment dat ik wakker werd, was heftig. Mijn maag trok samen, mijn benen trilden en ik had het ijskoud. Ik kon alleen maar huilen. Niet omdat ik bang was, maar omdat de pijn zo intens was dat mijn lichaam gewoon reageerde zonder dat ik er controle over had. De morfine deed bijna niets. Pas na meerdere prikken zakte het een beetje weg, maar ik voelde me vooral overrompeld. Dit was niet het soort pijn waar je je op kunt voorbereiden, hoe goed je je ook hebt ingelezen.
Alleen op de kamer en het moment dat ik brak
Toen ik later weer wakker werd, lag ik alleen. Mijn man was niet gebeld. Er waren uren voorbij en hij zat beneden in spanning. Toen ik hem eindelijk aan de telefoon kreeg, brak ik opnieuw. Ik wilde dat hij kwam. Ik wilde gewoon iemand die ik vertrouw, iemand die me vasthield en zei dat het goed zou komen. Hij kwam meteen. Ik kreeg opnieuw medicatie en viel tegen hem in slaap. Veel van die dag is een waas. Ik weet dat er artsen zijn geweest, maar ik herinner me weinig. Ik moest douchen, wilde dit niet door de verpleegkundige maar hij was degene die mee ging, ik gaf best wat bloed nog over maar hij hielp en ondersteunde mij hoewel het voor hem ook naar was om te zien, ontzettend goed. Dat voelde veilig, en dat was precies wat ik op dat moment nodig had.
De eerste nacht: zoeken naar verlichting
Die eerste nacht was zwaar. De pijn tussen mijn schouderbladen en maag bleef maar doorgaan. Mijn kruik was het enige dat een beetje hielp. Eten en drinken lukte nauwelijks. Alles smaakte anders, vreemd, vies. Koude melk ging nog net. Ik probeerde te slapen, maar mijn lichaam was onrustig en mijn hoofd probeerde te begrijpen wat er allemaal gebeurd was, en hoe het nu verder moest, maar ik probeerde vooral in het hier en nu te blijven en te slapen tussendoor.
De tweede dag: kleine stapjes, grote moeite
De dag erna moest ik lopen om de lucht kwijt te raken. Ik deed het, maar mijn lichaam voelde slap en wankel. Tijdens de lunch kreeg ik vlaflip en limonade, maar ik kon het niet eten. Weer melk. Mijn man hielp me douchen en daarna kwam de pijn weer terug. Meer morfine. Meer slapen. De kinderen kwamen even langs en ik wilde ze knuffelen, maar zelfs dat kostte te veel energie. Dat deed pijn op een andere manier. Je wilt er zijn, maar je lichaam zegt iets anders. Ook vrienden kwamen even in de avond, slofjes brengen en even een lieve knuffel, ik weet dat ze er waren, maar wat we besproken hebben kan ik me niet meer herinneren.
De tweede nacht: je alleen voelen terwijl je niet alleen bent
Die nacht werd de misselijkheid erger. Ik gaf het meerdere keren aan, maar de verpleegkundige zei dat ik niets meer mocht. Ze was vooral bezig met film kijken met collega’s. Ik voelde me zo alleen. Ik liep door de gang, hopend dat het zou zakken, maar het werd alleen maar erger. Toen ik weer naar haar toe ging, overlegde ze eindelijk met de arts. Ik mocht toch iets krijgen, maar het was te laat. Ik moest overgeven. De pijn was niet normaal. Ik zat trillend op de rand van mijn bed. En toen zei ze: “U had ook beter kunnen gaan slapen.” Die zin blijft hangen. Niet omdat het zo hard was, maar omdat het zo weinig begrip liet zien. Uiteindelijk viel ik wel in slaap, maar ben ik tussendoor nog heel vaak wakker geworden.
Naar huis: eindelijk, maar ook uitgeput
Op de derde dag wist ik één ding: ik wilde naar huis. Ik had inmiddels een onrustige buurvrouw en ik kon geen prikkel meer verdragen. Toen de artsen binnenkwamen, zei ik meteen dat ik naar huis wilde. Gelukkig mocht het. Thuis was ik op. Ik werd geholpen met douchen en sliep tot de volgende dag. Mijn lichaam had geen reserves meer. Mijn hoofd ook niet.
De eerste dagen thuis: klein leven, kleine stappen
De dagen daarna waren vooral slapen, rusten en heel weinig eten. Eén lepel was al veel. De pijn tussen mijn schouderbladen en maag bleef aanwezig. Met mijn zoon liep ik af en toe een klein rondje door de straat. Meer zat er niet in. Ik moest echt opnieuw leren luisteren naar mijn lichaam, en dat was moeilijker dan ik had verwacht. Je denkt dat je sterk bent, maar herstel laat je zien dat kracht soms betekent dat je toegeeft aan wat je lichaam nodig heeft.
Hoe het nu gaat: zoeken, proberen, volhouden
Nu, weken later, ben ik nog steeds aan het zoeken. Veel eten verdraag ik slecht. Ik probeer dingen, maar vaak lukt het niet. Voor nu leef ik vooral op rijstwafels en hüttenkäse. Het is niet ideaal, maar het is wat werkt. Ik merk dat ik soms moe ben van het proberen, van het steeds opnieuw testen wat wel en niet gaat. Maar ik ben ook trots. Ik heb deze stap gezet. Ik doe het maar wel. En ja, ik ben moe. Soms ook een beetje hopeloos. Maar dit is geen makkelijke weg. Mensen die dat zeggen, hebben geen idee. Welke route je ook kiest, het is zwaar en het vraagt veel van je. Toch denk ik nog steeds dat dit voor mij de juiste keuze was. En ik hoop dat ik me binnenkort beter ga voelen. Dat eten weer normaal wordt. Dat mijn energie terugkomt. En dat ik mezelf stukje bij beetje weer terugvind.