Heel veel mensen gebruiken de constructie: “Ik wil niet roddelen/onaardig doen/me ergens mee bemoeien, maar…”
‘Ik doe het tóch even’, denk ik er dan altijd achteraan.

Dat gezegd hebbende; ik hou niet zo van vergelijken. Mijn leven met dat van een ander, mijn werk met dat van een ander, mijn kinderen met die van een ander en al helemáál niet met elkaar. Maar ik doe het toch even.
Zonder waardeoordelen. Dát dan weer wel.

Dat komt, ik heb er nu twee. Kinderen dus. En niet zomaar twee van dezelfde soort, maar een jongetje en een meisje. Van elke smaak één. En dat is toch wel even een vergelijking waard. Dus, ik wil niet vergelijken, maar ik doe het toch even.

Teddy, da’s mijn dochter, is nu viereneenhalf. Ze was nog geen anderhalf en toen kon ze al twintig dierengeluiden nadoen en wist ze gedag te zeggen in het Italiaans. Die vertelde je één dingetje en dat bleef niet alleen hangen, ze volgde alle commando’s braaf op.
Ze kroop niet maar tijgerde wel en rolde als een rolmopsje door de keuken. Hierbij raakte ze nooit iets, want zodra haar weg belemmerd dreigde te worden door een tafelpoot, de kat, of iemands voeten, dan trok ze haar hoofdje in, als een soort schildpadje. Na ‘mama’ en ‘papa’ leerde ze in een keer zoveel woordjes dat ik niet eens meer weet wat het eerste was.
Tijdenlang kon ze zich vermaken met een emmertje wasknijpers of een handje vol FisherPrice poppetjes (ja, die uit mijn eigen jeugd, je kunt ze ‘oud’  noemen maar ik prefereer ‘vintage’), die ze, al babbelend, met haar priegelvingertjes op het smalle kozijntje van de draai-kantel-kiep-deur in de keuken zette, allemaal met het gezichtje naar buiten gericht. Ze deed, en nog steeds trouwens, alles bedachtzaam en vrij kalm én altijd in het zicht.

Ik hoorde vaak van mensen dat ze zo hard aan de bak moesten zodra hun kind in staat was om zich zelfstandig voort te bewegen.
Tseeeeh. Dacht ik dan. Aanstellers.

Dan James. Da’s mijn zoon. Hij is bijna veertien maanden. Hij is minstens even slim als zijn zus en heeft dezelfde bak humor, maar hij komt niet verder dan ‘toettoet’ na ‘wat doet de auto?’ of ‘pèèèèèp’ als je zijn neusje indrukt, en dan nog alleen als hij daar zin in heeft. Op de meeste momenten kijkt hij je echter aan met een blik die zegt; dikke doei.
Hij heeft al een aardig blauwe-plekken-cv omdat hij uit bad viel,  en van de trap, en omdat hij om de haverklap tegen tafelpoten, de kat, of iemands voeten op botst.
Na ‘mama’ en ‘papa’ was zijn eerste woordje ‘eten’, door hem subtiel geformuleerd als ‘ETUH!’
Inclusief uitroepteken.

Vandaag, vrijdag, was ik met hem aan het stoeien in de keuken, tot opeens mijn telefoon ging. In het schermpje prijkte de naam van een zakelijke connectie, zo’n heel slimme meneer met wie ik de start-up van een project aan het doen ben. Een meneer die wel eens een pak draagt. Veel centjes verdient. Een meneer zonder kinderen.

Terwijl we praten over zoekwoordenanalyses, facturen en templates zie ik vanuit mijn ooghoek mijn dreumeszoon vastberaden richting de wc tijgeren en zich optrekken aan de pot terwijl hij met zijn garnalenvingertjes het naar lavendel geurende stortbakblokje uit zijn houder bevrijdt.
Dwars door de meneers monoloog over planning en online vindbaarheid roep ik ineens: “Ooooh kut oh kut oh kut, neenee, niet doen, niet doen James, laat dat toiletblokje… godver! Jámes!”
En tegen de meneer: “Sorry hoor, wat zei je? Wacht even hoor, neenee, James, néé!”

Met klotsende oksels en als een soort Quasimodo mijn telefoon met mijn rechter neusvleugel in mijn schouder drukkend til ik een hevig protesterende dreumes uit de wc vandaan, terwijl ik me probeer te concentreren op de opdracht die komen gaat.

“Eh…” zegt de meneer, “zullen we anders volgende week nog even bellen?”
“Nee hoor, dat hoeft niet,” zeg ik hevig transpirerend, en dan moet ik het volume van mijn stem flink opschroeven omdat James inmiddels met een speelgoedje op een ander speelgoedje inbeukt, waarna het getormenteerde apparaat een protestlied aanheft dat voornamelijk uit bliepjes, toetertjes en dierengeluiden bestaat. Allemaal door elkaar heen en op een hoog volume.

Terwijl ik me afvraag waar de tijd van louter houten speelgoed is gebleven en wat er toch mis is met speelgoed zonder batterijen realiseer ik me dat ik me gewonnen moet geven.
“Is goed,” zucht ik dan maar. “Dinsdag doen?”

Ik hang op en kijk naar mijn ventje, dat me door zijn snottebellen heen grijnzend aankijkt. In een flits denk ik terug aan mijn dochter op die leeftijd en hoe verwend ik was (en bén) met haar. Tegelijkertijd realiseer ik me hoe verwend ik ben met dit jochie, wiens ogen me vertellen dat zijn missie is geslaagd. Telefoon weg, mama op de keukenvloer. Hoe mooi wil je het hebben?

Ik druk op zijn neusje. “Pèèèèèp”, zegt ‘ie. Ik knuffel hem. Dan tijgert hij weg, stoot zijn hoofd tegen de tafelpoot, grijnst, trekt zich op aan mijn benen, kijkt me aan en zegt: “ETUH!”
Het is zó anders. En weer opnieuw zó fijn.

 

Charlotte

Mijn naam is Charlotte en ik ben 37 jaar oud. Ik ben de trotse moeder van dochter Teddy (6 jr.) en zoon James (bijna 3) en breek zo nu en dan bijna mijn nek over kater Titus.
Koken vind ik een uitdaging. Oh, en ik schrijf. Vaak.

Latest posts by Charlotte (see all)