Soms… of nou ja, vaak, of nou ja, bijna altijd eigenlijk, loopt het leven anders dan je had verwacht, gehoopt of gepland.
Die ene baan die je zo graag wilde gaat niet door, voor-altijd-vriendschappen blijken tóch eindig, dierbaren komen te overlijden (wat ze nooit hadden mogen doen, natuurlijk) of jij en de vader van je kinderen blijven uiteindelijk tóch niet bij elkaar.
Het gebeurt ons allemaal, en zo ook mij.

En zo kwam het dus dat ik, ergens half juni, mezelf terugvond op Schiphol om samen met de twee kuikens naar Spanje te vliegen. Ik was dapper ‘ja’  blijven zeggen tegen een vakantie die vorig jaar al op de tekentafel had gelegen en was goedgekeurd, alleen miste er een klein detail: de vader van mijn kinderen.

Gelukkig hebben hij en ik nog steeds een liefde- en respectvolle band, en dus konden wij gewoon gaan. De autorit werd een vliegtuigvlucht en dat was dan dat. Mijn ouders, die de Spaanse villa-aan-het-strand online hadden opgeduikeld en die ook gingen, namen al onze spullen mee met de auto en ik hoefde dus alleen nog maar voor de handbagage te zorgen. En een buggy. En de twee kuikens, natuurlijk.
Best wel spannend allemaal, maar ik ging het gewoon doen.

Schiphol is groot. En druk. En best indrukwekkend. Inchecken was snel gepiept, de tachtig veiligheidscontroles daarentegen (“Wilt u uw zorgvuldig ingepakte, als een puzzel in elkaar passende handbagage even helemaal uitpakken mevrouw, en mag uw kleine mini-tank even uit de buggy, ook al betekent dat dat die stormram ‘m peert zodra hij de kans krijgt, en ook al moet u uw belangrijke elektronica de rug toekeren? Ja? Fijn.”) deden me het zweet al fluks door de bilnaad gutsen, maar ook die hobbel werd genomen en toen konden we op zoek naar de juiste gate en dito vliegtuig.

Waar ik al heel snel achter kwam: in je eentje met twee kuikens mis je toch een paar extra ogen en handen. Basale dingen als ‘even naar de wc’  worden al snel een uitdaging als je je kinderen en spullen niet onbeheerd achter wil laten, want stel dat iemand er iets van meeneemt of er iets ongewensts instopt.
Ik heb nu eenmaal twee kinderen gekregen, ik vind dat een fijne situatie. Er eentje moeten missen, of de rest van m’n leven slijten in een ongezellige Spaanse gevangenis (‘die coke was echt niet van mij, echt niet!’, ‘ja senoritaatje, dat zeggen ze allemaal’), da’s toch een domper op je zuurverdiende vakantie.

Ook dingen als ‘kijk jij even op dat bord’ of ‘blijf jij even bij de kinderen, dan koop ik daar snel iets te drinken’ waren er niet bij.
Maar het kwam goed. Heus.

Eindelijk was het moment daar, we mochten het vliegtuig in. James, anderhalf jaar en zowel qua lengte als gewicht het equivalent van een driejarige, wordt geschaard in de categorie ‘baby’ en die mocht dus de hele weg gezellig op mijn schoot.

Reis je met een baby, dan is er voor jou geen plek bij de nooduitgang of op andere stoelen met een beetje extra beenruimte. En dat bracht meteen de volgende uitdaging.
Ik plantte Teddy op de stoel bij het raam, dook zelf met behulp van allerlei Cirque-du-Soleil-achtige toeren op de middelste, prakte de handbagage onder Teddy’s voeten (en daardoor volledig buiten mijn bereik) en hield mijn ‘baby’  in een houdgreep op mijn schoot. Mijn lichaamslengte nadert de twee meter, mijn bovenbenen pasten niet tussen de zitting van mijn stoel en de leuning van het exemplaar voor mij.
James worstelde en zei dwingend: “Uit! Uit!”
Teddy stuiterde en zei opgewonden: “Mama? Vliegen we al? Zijn we er al? Duurt het vliegen nog lang?”
De reis kon beginnen.

Eenmaal in de lucht, het opstijgen werd door de vierjarige jury als ‘vet cool’ bestempeld, godzijdank, werd het een kwestie van pappen, nathouden en vurig alle goden (de Romeinse, Egyptische, Christelijke, die uit de Oude Natuur, en alles wat ik nog extra kon bedenken) aanroepen dat er niet geplast hoefde te gaan worden en dat mijn zoon pas in Spanje zijn luier weer vol zou kleien.

Naast mij zat zo’n typische ANWB-meneer, met zo’n zeiljack en grauwe sokken in zijn verstandige sandalen. Tussen het ontwijken van de objecten die mijn naar vrijheid snakkende zoon naar zijn hoofd gooide (een teddybeer, een drinkfles, een hardcover kinderboek met boerderijgeluidjes) door vertelde hij opgetogen over zijn wandelvakantie aan de voet van de Pyreneeën. Voor het eerst zonder zijn vrouw, want die had last van haar knieën.

Mijn respons ging ongeveer zó:
“Hm hm, ja, heerlijk zeg, zo’n wandelva… Jámes, niet doen. Niet gooien. Wil je drinken? Nee? Wil je de fles? Nee, je mag niet met mama’s telefoon gooien. Nee, ook niet als je boos wordt.
Haar knieën? Ach ja, vervelend. Nee, nu kan ze niet mee. Dat be…
Wacht even hoor, meneer. Wat zeg je, schatje? Ehm, nog anderhalf uur ongeveer. Ja, opa en oma zijn daar ook. Nee, we moeten eerst nog met de bus. Je iPad? Sorry maar die zit in de tas onder de stoel, daar kan mama niet bij. Je boekje? Dat zit in de tas onder de stoel, en daar kan mama niet bij.
Wacht even schat. James, even rustig aan. Nee, je mag niet los. De snoepjes? Daar kan mama nu even niet bij. Straks, als we er zijn, mag je een snoepje, goed?
Wat zegt u, meneer? Ja de Pyreneeën moeten prachtig zijn. Nee, zelf nog nooit geweest. Wandelen? Ja hoor, daar hou ik wel van.
Sorry, wacht even hoor.
Wat zeg je, lieverd? Ehm, nog ongeveer anderhalf uur. James! Jámes!! Sorry hoor, meneer. Heeft hij u geraakt? Ja, kan hard aankomen, zo’n boekje. Ach, u heeft zelf ook kleinkinderen, dus u weet wat het is, hahaha. Ja, echt een zegen hoor, twee van die gezonde… Moment.
Wat zeg je lieverd? Nog ongeveer anderhalf uur. Nee echt, het is zo voorbij. Ga maar even aan iets leuks denken. Aan lekker spelen in het zwembadje in de zon. En mooie schelpen zoeken. We zijn er bijna. Jámes! Jezuschristus!”

Dat de hoefjes van James inmiddels niet alleen maar blauwe plekken maar ook kneuzingen veroorzaakten op mijn bovenbenen, want meneer moest even staan om de rest van de passagiers te entertainen met zijn engelachtige krullen en zijn guitige grijns, nam ik uiteraard voor lief.
Doorademen en naar mijn happyplace. Want ook dit zou ik redden.

Eenmaal geland (gelukkig was ook dat ‘vet cool’) kwam ik met moeite overeind  uit mijn ingedikte positie, vouwde mijn rug uit, hees tien kilo aan ongebruikte handbagage op mijn schouder, tilde vijftien kilo dreumes op mijn arm, dirigeerde kleuterlief naar de uitgang, glimlachte dwaas naar de stewardessen en ging op zoek naar mijn buggy.
Die er niet was.

“Nee,” zei de mannen-stewardess warm, “die vindt u straks terug op de bagageband. Fijne vakantie!”

Fuck. Moest ik toch nog naar die rottige bagageband, honderddertig kilometer verderop. Het totaal aan vijfentwintig kilo schouder-ontwrichting hees ik op een kar en ging achter de meute aan op zoek naar mijn buggy, die ik na ruim een half uur terugvond op een heel andere band, namelijk de band voor de ‘speciale voorwerpen’.
Ik geloof dat ik toen bijna moest huilen, maar daar had ik geen tijd voor, want ik was veel te blij dat ik mijn kleine wervelwind ergens in kon vastsnoeren met gordels die ik kon dichtklikken waarna ik opgelucht kon zuchten en alleen die tien kilo nog maar had hangen.

Tijd om op zoek te gaan naar de bus die ons naar de plaats van bestemming zou brengen, zo’n tweehonderd kilometer vanaf het vliegveld. En daar, aan het einde van de busrit, daar shine’den mijn ouders, lonkten koude drankjes, daar riep een bord met avondeten. Daar stonden gespreide bedjes in een villa-aan-het-strand, daar tjilpten vogeltjes, dartelden vlinders in de zilte bries, daar wuifden de palmbomen. Dus hup, het slagveld op.

Ik spreek geen Spaans en Spanjaarden geen Engels. Dat lijkt eerlijk, maar komt de communicatie niet echt ten goede.
Ik was goed en wel halverwege een delirium als gevolg van de hete zon op mijn witte wintervel, de opgebouwde spanning en de fysieke moeheid toen een besnord Toeristen-informatie-meisje me zei naar welke terminal ik me moest begeven. ‘Terminaal’  is inderdaad wel een woord dat door mijn hoofd spookte op dat moment, maar hup, kiezen op elkaar, doorzetten.
Moet er geplast worden? Dan gaan we plassen.
Drinkbeker als werpprojectiel gebruikt? We gaan ‘m halen.
Teddybeer op de grond? Mama bukt wel. Nog een keer die teddybeer? Mama bukt gewoon nog een keer.
De automatische piloot ging aan, om maar even in de luchtvaarttermen te blijven.

Komt er nog een einde aan dit liedje? Ja, want sowieso komt er aan elk liedje, mooi of lelijk, een eind, maar ook omdat Het Moment, De Dag Die Je Wist Dat Zou Komen, en meer van dat soort lelijks, ook echt daadwerkelijk aanbrak.
Drie uur en vier verschillende bussen later (niks: ‘this bus goes in one straight line’) stortte ik mezelf ijlend van uitputting in de armen van mijn ouders.

“Je hebt het end in je bek zeker?” Mijn vader vroeg niet, maar stelde vast.
“Nogal.”
“Kom, dan gaan we naar het huis.”

En ook al had ik de tas met Belangrijke Knuffels in die allerlaatste bus laten liggen en duurde het nog een paar dagen voordat we ook die weer in de armen konden sluiten, ik was bij papa en mama. En die hadden koude drankjes en lekker eten.
De vakantie kon beginnen.

Wat is mijn punt met dit lange verhaal? Je kan altijd meer dan je zelf denkt. Ook als het leven anders loopt dan je had verwacht, gehoopt of gepland.

Charlotte

Mijn naam is Charlotte en ik ben 37 jaar oud. Ik ben de trotse moeder van dochter Teddy (6 jr.) en zoon James (bijna 3) en breek zo nu en dan bijna mijn nek over kater Titus.
Koken vind ik een uitdaging. Oh, en ik schrijf. Vaak.

Latest posts by Charlotte (see all)